Wietze

Er was eens een boer die een prachtige Friese hengst had. Dat was Wietze. Wietze hielp bij het ploegen, bij het zaaien en oogsten. De boer zorgde heel goed voor het paard. Het was zijn trouwe kameraad. Toen de vrouw van de boer te jong overleed, richtte hij zich helemaal op zijn paard. De boer was al op leeftijd en hij had geen kinderen. Het paard was alles voor hem.

Toen Wietze na jaren trouwe dienst dood ging was de vreugde bij het werk op het land weg bij de boer. Zijn buren hielpen hem met het bewerken van het land en met de oogst, maar de boer miste Wietze. Wietze had hij begraven op het erf van de boerderij. In de zomer bloeiden er prachtige bloemen op het graf van de grote vriend van de boer.

Toen allerlei ambtelijke instanties doorkregen dat er een groot paard begraven lag naast de schuur van de boer, kwamen zij hem erop wijzen dat het verboden was een paard op de boerderij te begraven. Eerst deden ze het vriendelijk, maar de boer stond erop dat het paard daar begraven bleef. Toen inspecteurs meer druk op de boer uitoefenden om het paard naar een destructiebedrijf af te voeren, joeg hij ze met een riek van het erf.

Bemiddeling van de burgemeester hielp niet. Wietze bleef waar hij hoorde en de boer wilde geen andere oplossingen. De burgemeester raadde de beambten aan even geduld met de grafruiming te hebben, waarop het graf van Wietze in het vergeetboek raakte.

Toen de boer besloot definitief te stoppen met het bedrijf, vond hij een jonge boer, waarvan de oudere broer het ouderlijk bedrijf overnam.  De jonge broer werd opvolger op zijn kleine bedrijf. Hij toonde hem het graf van Wietze en zei dat hij er vanuit ging dat de jonge boer regelmatig bij het graf zou ‘kijken’. De jonge boer beloofde dat te doen. Wietze bleef op zijn plaats en de jaren verstreken.

Ieder jaar halverwege april stopte er een taxi op het erf. De jonge boer zag de oude baas met een stok in zijn hand naar het graf lopen. Hij bleef kort, zwaaide bij vertrek naar de nieuwe bewoners en vertrok weer met de taxi. Zo ging dat jaar op jaar, tot de oude boer in april niet verscheen. De jonge boer ging er vanuit dat de oude baas weer bij Wietze was.

Het bedrijf van de jonge boer was gegroeid. De schuren waren groter geworden, hij had land bijgekocht en er kwamen veel grote vrachtwagens op het erf om bestellingen af te leveren of geoogst product op te halen. Om de vrachtauto’s gemakkelijk te laten keren over het erf legde de jonge boer een tweede oprit aan. Daarbij moest een strook asfalt over het graf van Wietze komen. Hij besloot dat toch maar te doen en tekende met witte verf een grote W op die plaats.

Het asfalt was maar goed en wel droog toen in juni van dat jaar een taxi stopte en de oude boer, krommer en langzamer dan ooit uitstapte en naar het graf van Wietze liep. Woest was zijn blik toen hij de plek met de W bereikte. Aan de jonge boer die op een afstandje toekeek vroeg hij wat hij gedaan had. „Ik kijk nog regelmatig bij Wietze…”, was het antwoord. Afkeurend gebrom was de reactie, waarop de oude baas het erf verliet en nooit meer terug kwam.

Misschien is dit verhaal wel echt gebeurd. Dat hoop ik eigenlijk wel.

2017-09-22T11:45:32+00:00 14-04-2017|blogs, dieren, landbouw, mensen, platteland|

Geef een reactie